De nieuwe ICOM museumdefinitie: terug naar af op de Kyoto-conferentie?

Kraanvogel vliegend bij rode maan door Kano Tsunenobu, 1893, Rijksmuseum via Rijksstudio, publiek domein.

Morgen, zaterdag 7 september 2019, is een hoogdag voor de internationale museumgemeenschap in Kyoto. Dan wordt het voorstel van een nieuwe ICOM-museumdefinitie gestemd. En hoewel velen de ‘geest’ van het voorstel steunen, is er ook veel kritiek op de manier waarop het Committee on Museum Definition, Prospects and Potentials (MDPP) ertoe gekomen is. Afwachten dus hoe de stemming zal uitdraaien.

Dit is het nieuwe voorstel van museumdefinitie:

Museums are democratising, inclusive and polyphonic spaces for critical dialogue about the pasts and the futures. Acknowledging and addressing the conflicts and challenges of the present, they hold artefacts and specimens in trust for society, safeguard diverse memories for future generations and guarantee equal rights and equal access to heritage for all people.

Museums are not for profit. They are participatory and transparent, and work in active partnership with and for diverse communities to collect, preserve, research, interpret, exhibit, and enhance understandings of the world, aiming to contribute to human dignity and social justice, global equality and planetary wellbeing. 

De huidige definitie vindt u trouwens onderaan dezelfde pagina. Ik nodig u uit om beide met elkaar te vergelijken.

Juicht dan niet iedereen die nieuwe definitie toe?

Neen. Want over het voorstel werd de afgelopen week uitvoerig gediscussieerd. In een later blogbericht zal ik enkele inhoudelijke discussiepunten toelichten. Maar vandaag heb ik het over de manier waarop bovenstaand voorstel tot stand is gekomen. Precies dat is volgens de criticasters – en zij zijn met velen – problematisch. De bedoeling van het ICOM-MDPP (Committee on Museum Definition, Prospects and Potentials, dat is het comité dat verantwoordelijk is voor het voorstel), was om op een ‘participatieve wijze’ te werken, betrokkenheid te creëren bij de museumprofessionals en zodoende tot een gedragen voorstel te komen. Maar dat is dus helemaal anders uitgedraaid. Een groot deel van de internationale museumgemeenschap liet de voorbije dagen duidelijk horen dat men zich niet gehoord weet en dat men grote vragen heeft bij de gehanteerde methodologie. Kortom, bij het hele proces. Het (zware) woord ‘schijnparticipatie’ is regelmatig gevallen.

Participatief, maar niet echt

Tijdens het vorige grote algemene congres van ICOM, in 2016 in Milaan, werd geconcludeerd dat de museumdefinitie – een van de hoekstenen van de International Council of Museums – aan herziening toe was. Hoewel het internationaal comité rond museologie ICOFOM zich al jaren bezighoudt met de inhoud van de museumdefinitie, en ook sterk betrokken was bij de vorige herziening in 2007, richtte ICOM op 1 juli 2017 het bijzondere comité MDPP op, o.l.v. de Deense curator en museumdirecteur Jette Sandahl.

François Mairesse, voorzitter van ICOFOM, maakte wel deel uit van dat bijzondere comité. Hij stapte eruit omdat hij zich naar eigen zeggen niet meer kon vinden in de werkwijze. Andere leden van het comité zijn: George Abungu (Kenia), Margaret Anderson (Australië), Lauran Bonilla-Merchav (Costa Rica), David Fleming (VK), Alberto Garlandini (Italië, vice-president van ICOM), Kenson Kwok (Singapore) en Richard West (VS). De werkzaamheden van het MDPP lopen in principe af op 31 december 2019.

Cypress Trees, toegeschreven aan Kanō Eitoku - Emuseum via Wikimedia Commons, publiek domein.

Zoals Jette Sandahl in diverse YouTube-filmpjes verduidelijkte, zou het MDPP rondetafels organiseren om bottom-up input te sprokkelen voor een nieuw voorstel. Ook iedere geïnteresseerde burger kon persoonlijk en anoniem voorstellen doen via de website van ICOM. En zo geschiedde. ICOM ontving uiteindelijk 269 voorstellen. En hier stelt zich methodologisch een groot probleem. Uiteindelijk kon elk individu in de wereld zich (op een anonieme manier) uitspreken. Dat lijkt misschien mooi en participatief, maar dit is natuurlijk helemaal niet representatief. Bovendien zijn 269 voorstellen niet echt veel, in relatie tot de wereldbevolking. Kortom, de resultaten van dit deel van het onderzoek zijn dus in feite niet bruikbaar.

Hiernaast werden er ook over heel de wereld ‘rondetafelgesprekken’ gehouden. Maar ook over deze methodologie is grote onduidelijkheid. Men vraagt zich hier af hoeveel van die gesprekken hebben plaatsgevonden? En hoe ‘serieus’ deze gesprekken werden aangepakt. Ongetwijfeld heeft dit luik van het onderzoek boeiend materiaal opgeleverd. Maar zolang er over de methodologie en de onderzoeksresultaten niet transparant en helder wordt gecommuniceerd, blijft het gissen naar de betrouwbaarheid en dus relevantie ervan. Bovendien vonden deze gesprekken plaats in 25 talen. Het is dan maar de vraag in hoeverre al dat materiaal kon vertaald en verwerkt worden. Vooral ook – en dat is erg pijnlijk – omdat er voor heel dit proces volgens ICOFOM door ICOM onvoldoende budget werd beschikbaar gesteld.

Elections via Pixabay

Het belang van taal op internationaal niveau

En dan is er nog het aspect van de taal. Als je als Nederlandstalige naar het buitenland gaat, weet je maar al te goed hoe belangrijk het is om Frans, Engels, Duits, en waarom niet, nog enkele andere talen te spreken. In vakantiemodus volstaat het doorgaans wel om je ‘uit de slag te trekken’. Wanneer je echter in contact komt met anderstalige collega’s is die taalbarrière wel andere koek. Dat blijkt ook nu weer, op dit internationaal congres met 4.500 deelnemers van over de hele wereld. Professionele en intellectuele discussies verlopen doorgaans in het Engels of Frans: als Vlaamse museumprofessional moet je het maar allemaal gezegd krijgen, met kennis van zaken én in het jargon van die andere taal. Nu, Nederlandstaligen zijn hier meestal wel op voorbereid, leggen zich neer bij de situatie, en bekwamen zich dan maar in meertaligheid. De ‘zwakte’ wordt dan een ‘sterkte’.

Maar voor de ‘grotere taalgroepen’ is dat wel even anders. Terwijl in het verleden de voertalen op dergelijke congressen onder andere Frans, Engels en Spaans waren, is het duidelijk dat het Engels dominanter wordt. Tot frustratie van bijvoorbeeld Frans- en Spaanstaligen, die zich plots veel minder genuanceerd en uitgesproken kunnen uitdrukken. Dat is ook voelbaar bij ICOFOM, het internationale comité over museologie. De leden hiervan zijn namelijk vooral Franstalige museumprofessionals.

De voertaal verandert dus, en voor de museumdefinitie heeft dit nu wel een heel concreet gevolg. Het nieuwe voorstel is namelijk uitsluitend in het Engels opgesteld. Terwijl in het verleden elk voorstel om een tekst van ICOM te veranderen in verschillende talen kon bestudeerd worden, is er nu slechts één versie. Dit is een groot probleem voor landen als Frankrijk, Italië en Spanje … omdat de Engelse woorden soms moeilijk te vertalen zijn, of omdat men het niet eens is over de betekenissen van de gebruikte termen.

People via pixabay

Zes weken is te kort voor een wereldwijd draagvlak

Het zou natuurlijk kunnen, werken met een (uitsluitend) Engelstalige definitie. Maar dan hebben de nationale comités (landen), regio’s en internationale comités tijd nodig om het voorstel te analyseren en te doorgronden. Het voorstel dat voorligt, werd slechts zes weken voor de Kyoto-conferentie publiek gemaakt. In Europa was dat in volle zomer- en vakantieperiode. Daardoor was het gewoonweg praktisch niet haalbaar voor de comités en museumprofessionals om samen te komen en de bespreking te voeren. In Vlaanderen volgen ICOM-Vlaanderen en FARO de discussie al jaren op de voet (zie o.a. de referenties onderaan dit blogbericht), maar het was gewoonweg onmogelijk om op die korte tijd een standpunt te bepalen dat wordt gedragen door de museumgemeenschap. Vandaar dat ICOM-België eind augustus trouwens mee een brief ondertekende, gericht aan de voorzitter en de Executive Board van ICOM, met de expliciete vraag om de beslissing over de nieuwe museumdefinitie uit te stellen.

Wat nu?

Deze week heeft het hier echt gegonsd. Zeer luid en in het openbaar tijdens de workshops, maar ook achter de schermen van en tussen de verschillende comités. Als klein land mengt ook België zich in de discussie, onder leiding van Alexandre Chevalier aan Franstalige zijde en Sergio Servellón aan Nederlandstalige kant, gesteund door de Belgische museumprofessionals die hier aanwezig zijn.

De stemming is dus voor morgen, zaterdag 7 september in de voormiddag (Japanse tijd). De inzet van deze stemming is of de definitie aanvaard wordt of niet. Uitstel krijgen blijft echter het doel van een grote groep. Er zijn stemmen die pleiten voor meer tijd zodat er in de verschillende landen over de inhoud van deze definitie kan gediscussieerd worden. Voor anderen gaat dit niet ver genoeg, en moet er gewoonweg helemaal opnieuw begonnen worden. Nog anderen steunen de inhoud van het nieuwe voorstel trouwens wél, en/of zijn het eens met de ‘geest’ of de ‘algemene principes’ die er in staan.

Maar … misschien vraagt u zich af waarom dit nu zoveel stof doet opwaaien? Welnu, de kracht van een instrument – want dat is het – als de museumdefinitie is al sinds 1946 dat hij ‘gedragen’ wordt door de internationale gemeenschap. De verdeeldheid in de museumgemeenschap is momenteel groot, waarschijnlijk té groot. Het is dus afwachten tot morgen, of er een tweederdemeerderheid wordt gehaald pro of contra het voorstel. De hier aanwezige Belgen voelen de spanning. Iedereen hoopt dat er een goede oplossing wordt gevonden. Want de situatie zou voor de museumwereld én voor ICOM als internationale organisatie voor grote scheuren kunnen zorgen.

Wordt (zeer snel) vervolgd.

Meer lezen over de ICOM-conferentie en -definitie?

Foto's

  • Kraanvogel vliegend bij rode maan door Kano Tsunenobu, 1893, Rijksmuseum via Rijksstudio, publiek domein.
  • Cypress Trees, toegeschreven aan Kanō Eitoku - Emuseum via Wikimedia Commons, publiek domein.
  • Verkiezingen, via Pixabay 
  • Mensen, via Pixabay 
Olga Van Oost