Van kennisoverdracht naar cocreatie?

Pixabay

Presentatie en educatie, het zijn essentiële onderdelen van erfgoedwerk. Maar welke visie schuilt erachter? Willen erfgoedorganisaties vooral de eigen collectie tonen en hun eigen expertenkennis daarover overdragen? Of evolueren ze naar open fora waar mensen en gemeenschappen ook een stem hebben in de werking, en mee bepalen wat wordt getoond, verteld en geleerd? De introductie tot dit thema ontdekt u in dit filmpje:

Cultuureducatie als logische opdracht?

Tijdens een onderzoek naar cultuureducatie in 2011 stelde HIVA/KU Leuven tal van culturele organisaties de vraag: 'Doet uw organisatie aan cultuureducatie?' Opvallend was dat het overgrote merendeel van de bevraagde erfgoedorganisaties volmondig antwoordde: 'Ja, het is een essentiële opdracht.' Educatie als een wezenlijke opdracht dus!

Lijkt dit vrij evident? Toch is het niet altijd zo geweest: toen musea nog curiosakabinetten waren, had men immers een aanbevelingsbrief nodig om toegang te krijgen. En schoolkinderen waren lange tijd geen geliefd publiek. Pas eind 19e eeuw was er een ‘democratiseringsgolf’ die de schoolbezoeken in musea hier in België op gang trok. En dan nog was het enkele decennia wachten vooraleer ‘educatieve diensten’ in volle opgang kwamen. Pas tegen het einde van de 20e eeuw had ieder (erkend) museum officieel een educatieve dienst of educatief medewerker.

Deze schets illustreert de beweging die (Westerse) musea hebben gemaakt: ze groeiden van eerder exclusieve, wetenschappelijke instellingen, gericht op de studie van ‘het object’, naar open organisaties, die betrokkenheid willen genereren bij ‘het publiek’. 

Participatie en cocreatie als nieuwe functie

In Vlaanderen en Brussel ondersteunt het Cultureelerfgoeddecreet (2017) deze evolutie volop. Het decreet schreef ‘participatie’ als nieuwe functie in. Collectiebeherende organisaties worden voortaan verondersteld een visie en acties te ontwikkelen die mensen en gemeenschappen betrekken bij hun werking door middel van cocreatie.

Participatie is er in allerlei graden en evenzoveel vormen. De kern is altijd wel de centrale rol die toegekend wordt aan mensen, of aan een gemeenschap. Bij participatie gaat het steeds om het creëren van relaties, om partnerschap, (gedeelde) verantwoordelijkheid en (gedeeld) eigenaarschap. De stadsmusea die recent werden geopend (Ieper, Lier, Mechelen …) illustreren bijvoorbeeld heel duidelijk hoe participatie kan worden aangepakt. Zij stelden zich alle heel uitdrukkelijk open en uitnodigend op naar alle inwoners van de stad om hun stem te laten horen in het ontstaansproces van deze nieuwe musea. Wat zouden de musea bijvoorbeeld moeten tonen en doen?

Soorten participatie

Als het om het omschrijven van het begrip ‘participatie’ gaat, wordt er in het veld vaak teruggegrepen naar de vier participatietypes die Nina Simon onderscheidt in The Participatory Museum

  1. Bijdrage: participanten kunnen ideeën uiten, suggesties doen, een eigen verhaal of eigen ervaring aanbrengen.
  2. Samenwerking: mensen werken actief mee aan projecten waarvan het museum de lijnen heeft uitgezet.
  3. Cocreatie: mensen denken samen met het museum na over de doelen en de uitwerking van nieuwe projecten. Zowel de participanten als het museum hebben evenveel inspraak. Ze vertrekken samen van een spreekwoordelijk wit blad. 
  4. Museum als gastheer: mensen maken gebruik van (zalen in) het museum voor het realiseren van hun eigen doelen. Het museum faciliteert en ondersteunt.

In deze participatietypes neemt de actieve betrokkenheid van de participanten telkens toe en verandert het spanningsveld tussen de doelen van het museum en de doelen van de deelnemers. Bij type 1 behoudt het museum sterk de controle, bij type 4 geeft het museum vooral uit handen.

FARO bouwde – vanuit een ruimer erfgoedperspectief – voort op de indeling van Nina Simon, en werkte eveneens een participatieladder uit. 

Een erfgoedbrede tendens

Lang niet alleen musea ontwikkelen dus een participatieve visie en werking. Erfgoedcellen leveren bijvoorbeeld al jaren heel goed werk op dit terrein. Het betrekken van mensen en gemeenschappen bij het erfgoed zit immers in hun genen, en diverse trajecten van erfgoedcellen – groot en klein – kunnen we als mooie voorbeelden beschouwen van cocreatie. De viering van Expo 58 in 2008 verzamelde en presenteerde tal van getuigen(issen), Kempense Klaprozen stimuleert leerlingen om onderzoek te voeren naar soldaten in WOI, in Straathistories tekenen inwoners hun eigen wijkgeschiedenis op, en tal van waarderingstrajecten dragen participatie hoog in het vaandel. En kijken we heel specifiek naar immaterieel cultureel erfgoed, dan merken we al snel dat ook dat au fond participatief is.

Het ruimere plaatje: sociaal-constructivisme

De evolutie naar cocreatie wordt stevig geschraagd door wat er in andere domeinen van de samenleving beweegt. Burgerparticipatie tout court wordt enorm aangemoedigd, en bijvoorbeeld sociale media zijn extreem doelmatig in het activeren van mensen. Maar ook binnen de onderwijswereld zijn er verschuivingen die hun invloed hebben op museum- en erfgoededucatie. Want was ook daar lesgeven of doceren vroeger vooral eenrichtingsverkeer en verliep het vooral top-down, vandaag is er het leertheoretische kader van het sociaal-constructivisme eerder de norm.

Wat houdt dit kader in? Het constructivisme bekijkt het opbouwen van kennis en vaardigheden op een constructieve manier: kennis en vaardigheden verwerven is hierbij niet zozeer het gevolg van een directe overdracht van kennis door lesgever of docent, maar eerder het resultaat van (denk)activiteiten van de lerenden zelf. Door nieuwe informatie en ideeën te verbinden aan datgene wat ze al weten, vergaren ze kennis. De actieve rol van de lerende wordt in deze visie sterk benadrukt. De lerende ‘bouwt’ en de leerkracht of lesgever is vooral een coach of facilitator in het leerproces. Als er tegelijk in dit proces ook heel expliciet aandacht wordt besteed aan interactie en daarmee gepaard gaande sociale processen, dan spreekt men van sociaal-constructivisme.

Sociaal-constructivisme in de erfgoedpraktijk

Typerend voor een sociaal-constructivistische aanpak is het gebruik van actieve werkvormen zoals opdrachten allerhande waarbij iedere lerende zijn of haar leerproces in eigen handen kan nemen. Zo'n benadering leent zich bovendien goed voor het omgaan met (sociale, culturele …) verschillen binnen een (klas)groep, en biedt in dat opzicht ook zeer veel kansen om meerstemmigheid en diversiteit in de werking te brengen van het erfgoedwerk. Musea en andere erfgoedorganisaties voelen zich precies daarom wel geroepen om dergelijke werkvormen te integreren in de manier waarop mensen worden toegeleid naar, geïnformeerd over en betrokken bij het erfgoed. Bijvoorbeeld in de gidsenpraktijk merken we dat steeds meer actieve gesprekstechnieken worden ingezet: de rondleiding wordt op die manier een gesprek waarbij iedereen iets kan inbrengen, en van elkaar kan leren. Of bijvoorbeeld, musea die jongeren empoweren door hen in workshops en oefeningen te betrekken rond tentoonstellen ...

Deze voorbeelden tonen dat het sociaal-constructivistisch kader nauw aansluit bij het idee van participatie en cocreatie zoals het op dit moment wordt gestimuleerd en uitgedragen in het erfgoedveld.

Samenvattend

George Hein, professor en autoriteit op het vlak van leren in musea, bracht in zijn publicatie Learning in the museum de leertheorieën die we kunnen herkennen in het museum- en erfgoededucatief werk helder samen in dit schema. Waar in dit kwadrant wilt u zich bevinden?

Meer lezen?

Deze blog maakt deel uit van het e-dossier 'Verkenner | Groeien in uw nieuwe erfgoedjob', dat u hier in zijn geheel kan raadplegen.

Foto: Pixabay

Hildegarde Van Genechten