Het digitale museum: PACKED

In het septembernummer van faro | tijdschrift over cultureel erfgoed kan u binnenkort lezen hoe het met het digitaal erfgoedbeleid van enkele erfgoedbibliotheken, archieven en musea gesteld is. In de derde aflevering van de blogreeks 'Het digitale museum' die de publicatie voorafgaat, nemen Rony Vissers en Bert Lemmens ons op sleeptouw. Bij het expertisecentrum PACKED vzw houden ze de vinger aan de digitale pols. Doorheen de jaren hebben ze de aandacht voor het digitaal cultureel erfgoed zien toenemen en afnemen. Benieuwd wat de toekomst brengt.

PACKED: van archiveringsplatform naar expertisecentrum digitaal erfgoed

Rony Vissers: “PACKED vzw werd opgericht in 2005 als 'Platform voor de Archivering en Conservering van Kunst op Elektronische en Digitale dragers'. Het digitale aspect was toen al belangrijk maar onze huidige opdracht kreeg pas enkele jaren nadien vorm. In principe hadden we een erkenning tot 2010 maar toen er een nieuw Cultureel-erfgoeddecreet kwam in 2008, was er voor een organisatie met onze toenmalige missie geen plaats meer. We kregen van de overheid twee suggesties. Ofwel zouden we blijven werken rond audiovisuele kunst en zouden we verder door de leden van de koepelorganisatie gefinancierd worden. Ofwel zouden we ons inschrijven in het nieuwe decreet, en inspelen op nieuwe noden en mogelijkheden als ‘expertisecentrum digitaal erfgoed’. Dit laatste hebben we gedaan en vanaf 2011 waren we dus een expertisecentrum. We kregen eerst een erkenning van 1 jaar, en vervolgens werd dat 5 jaar.”

Europa

Rony Vissers: "PACKED vzw is vrij snel – zelfs nog voor het expertisecentrum werd – beginnen participeren aan Europese projecten digitaal cultureel erfgoed. 2008 was een sleuteljaar toen in november Europeana, het Europese zoekportaal voor digitaal cultureel erfgoed, online ging. PACKED vzw was toen trouwens partner in het project ATHENA, dat Europeana-gelieerd was." 

Onder impuls van Neelie Kroes, vice-president voor de Digitale Agenda van de Europese Commissie, publiceerde het Comité des Sages in 2011 het rapport The New Renaissance. Hierin pleitte het voor grotere en betere overheidsinspanningen om het Europees (cultureel) erfgoed te digitaliseren en/of digitaal te ontsluiten. In dat rapport werd benadrukt dat de Europese lidstaten meer moesten investeren om collecties uit bibliotheken, archieven en musea online te plaatsen. De achterliggende doelstelling was dat de toegang, voor iedereen, tot de Europese cultuur en kennis moest vereenvoudigd worden. Aan deze Europese gedachte werd toegevoegd dat digitalisering ook veel economische voordelen zou kunnen bieden. Het was ook de periode waarin Europeana  grote ondersteuning kreeg. En er waren veel Europese middelen voor projecten digitaal cultureel erfgoed.

Rony Vissers: “De bewegingen op Europees vlak brachten een dynamiek op gang op het vlak van digitaal cultureel erfgoed. PACKED vzw greep deze kans en werkte samen met internationale partners aan verschillende Europese projecten. Intussen is die Europese dynamiek met de bijhorende subsidies stilgevallen. Met de vervanging in 2014 van CIP ICT PSP (het ICT Policy Support dat onderdeel was van het Competitiveness and Innovation framework Programme) door Horizon 2020, het nieuwe Europese kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, zijn er budgetten voor cultureel erfgoed verdwenen, alhoewel  men die sinds 2016 terug probeert op te trekken. Door de moordende concurrentie bij het indienen van subsidieaanvragen, zijn de kansen voor cultureel-erfgoedspelers ook kleiner geworden. Bovendien is het Europeana niet gelukt om de verwachtingen in te lossen. Over de redenen lopen de meningen uiteen. Een vaak gehoorde opinie is dat mensen gewoonweg Google als eerste portaal gebruiken om een opzoeking te doen, óók voor digitaal cultureel erfgoed. Europeana, of een ander Europees zoekportaal voor digitaal cultureel erfgoed, is in die zin achterhaald.”

(Open) data

Bert Lemmens: “Maar Europeana heeft er anderzijds mee voor gezorgd dat in Vlaanderen open databeleid ook bij musea op de agenda is komen te staan. Hoewel ze die discussie meteen zelf heeft gehypothekeerd door haar CC0-beleid top-down door te drukken. Dat heeft het gesprek over het open maken van data in musea zeker niet makkelijker gemaakt. En de grootste hindernis voor een opendatabeleid blijft dat de technologie van onze databanken ongelofelijk achterop hinkt in vergelijking met andere sectoren in de samenleving. Maar er is zeker verbetering: het onderling uitwisselen van data tussen cultureel-erfgoedorganisaties is op zijn minst bespreekbaar geworden. Daar hebben we met PACKED vzw voor een aanzienlijk deel aan kunnen bijdragen dankzij de samenwerking met de Vlaamse Kunstcollectie .”

Waarom is de focus op ‘open’ data zo essentieel?

Bert Lemmens: “Het is in de eerste plaats een zaak van ‘dienstbaarheid’. Het gaat om erfgoed dat met publieke middelen wordt beheerd, om ‘tot nut’ te zijn van die samenleving. Dan is het toch maar normaal dat leden van die samenleving vrij kunnen beschikken over alle kennis en informatie die musea over dat erfgoed ontwikkelen? Dat zou een van de hoofdlijnen moeten zijn om hun missie als museum waar te maken.

Bovendien heeft het museum zelf er ook direct voordeel bij. De bibliotheeksector heeft dit al veel langer begrepen. Als er een bereidheid is om data uit te wisselen, kan de hele sector alleen maar groeien. De Vlaamse Kunstcollectie en PACKED vzw doen dit trouwens heel concreet met het project van de Datahub waardoor het voor enkele musea voor schone kunsten technisch mogelijk wordt om data makkelijk uit te wisselen.”

Rony Vissers: “Niet alle kennis over de collecties zit trouwens in cultureel-erfgoedinstellingen zelf. Nee, veel kennis, en dus informatie, over de collecties is verspreid. Instellingen hebben doorgaans de tijd, de mensen en de vaardigheden niet om die allemaal te gaan verzamelen. Het principe van open data laat toe om publiek of ‘derden’ intensief te betrekken bij de dataverzameling, het principe van citizen science, of wat in het nieuwe Cultureel-erfgoeddecreet onder de functie ‘participatie’ zou vallen.”

Beeld- en databeleid: een bocht van 180 graden

Rony Vissers: “De omgang met beelden is het laatste decennium echt enorm veranderd. Tien jaar geleden was het gangbaar voor musea om foto’s te maken en ze te verkopen. Digitale fotografie heeft dit verdienmodel helemaal onderuit gehaald. Foto’s maken en online verspreiden is zo eenvoudig geworden en er zijn zoveel foto’s online te vinden dat het commercieel zinloos is voor cultureel-erfgoedorganisaties om nog te investeren in de vermarkting van hun foto’s. De kosten voor de promotie en de opvolging en administratieve afhandeling van de aanvragen van gebruikers wegen niet op tegen de gerealiseerde inkomsten.

We zien geleidelijk aan een verandering in mentaliteit. Het Rijksmuseum in Amsterdam en het Metropolitan Museum in New York zijn goede voorbeelden. Zij redeneren dat het beter is om zélf beelden van hoge kwaliteit online te plaatsen dan ze af te schermen zodat gebruikers elders beelden van lage kwaliteit gaan downloaden. Als gebruikers weten dat de musea goede beelden ter beschikking stellen, is dat meteen ook een excellente manier om de eigen collectie te promoten en te communiceren. Niet alleen enkele grote musea hebben die reflex maar kleinere musea zoals het Royal Armoury, Skokloster Castle and the Hallwyl Museum (LSH - Livrustkammaren och Skoklosters slott med Stiftelsen Hallwylska museet) uit Stockholm. Dit toont dan opnieuw de ‘open’ attitude aan, die zo belangrijk aan het worden is, en die de missie van deze musea ondersteunt.

In Vlaanderen probeert de Vlaamse Kunstcollectie voor de musea van schone kunsten een voortrekker te zijn van dit open beeldbeleid. Samen met PACKED vzw hebben zij een gelaagd licentiemodel uitgewerkt dat onder andere bepaalt dat beelden tot 1.920 pixels als langste zijde worden vrijgegeven onder een CC0-licentie. In de praktijk valt die voortrekkersrol voorlopig echter nog tegen. LUKAS geeft, in samenspraak met de musea, maar beelden met als langste zijde 850 pixels vrij onder een CC0-licentie. Vandaag heeft 83,6% van de computerschermen een resolutie van minimaal 1366 x 768 pixels, en 48,6% een resolutie van minimaal 1920 x 1020 pixels. Dat betekent dat de vrijgegeven foto’s bijna nooit schermvullend zullen worden weergeven. Vaak zullen ze kleiner dan de helft van het scherm worden weergegeven – wat niet echt gebruiksvriendelijk is."

Rony Vissers en Bert Lemmens: "Het vrijgeven van data en beelden ligt niet enkel in de museumsector moeilijk, maar ook in de archiefsector - alhoewel ook daar stilaan beterschap is. Met Archiefbank Vlaanderen en Wikimedia België werkt PACKED vzw bijvoorbeeld aan het opladen van de persistente identifiers van gepubliceerde archiefbeschrijvingen als open data in Wikidata. Maar kijk naar bv. ODIS - Online Database voor Intermediaire Structuren, een initiatief van enkele culturele archieven. De content uit die databank wordt vrijgegeven onder een CC BY-NC-SA. Die licentie beperkt sterk het hergebruik, bv. in de Wikimedia-platformen (omdat commercieel hergebruik daar niet wordt uitgesloten). De ODIS-databank heeft bovendien geen open API zodat het onmogelijk is om de databank met andere systemen te koppelen en data uit te wisselen. Als je de fiche in ODIS over bv. James Ensor vergelijkt met wat je over James Ensor vindt in open platformen als Wikipedia, Wikidata of VIAF, zie je meteen de meerwaarde van open systemen.

Op het vlak van de vrije uitwisseling is de bibliotheeksector opnieuw een voorloper: hier weten ze al langer dat openheid, ‘slim’ uitwisselen van data en samenwerking met private actoren de toekomst zijn. Denk maar aan VIAF (Virtual International Authority File) of Open Vlacc (Vlaamse Centrale Catalogus). Ze kunnen natuurlijk niet om de ‘precedenten’ heen. Denk maar aan The Internet Archive, Google Books, het Gutenberg Project, allemaal succesvolle digitaliseringsinitiatieven van cultureel erfgoed die door private actoren werden opgezet en beheerd. Hetzelfde geldt voor Wikimedia-platformen als bv. Wikimedia Commons en Wikibooks: veel content staat gewoon al online!

De vraag is dus niet meer wie het zal doen, maar wel: hoe kunnen we er als cultureel-erfgoedorganisaties voor zorgen dat we ‘mee’ zijn en dat de data en de beelden die worden gepubliceerd dan toch ten minste kwaliteitsvol en correct zijn? Cultureel-erfgoedorganisaties zouden, waar de auteursrechten het hen toelaten,  de reflex moeten hebben om hun eigen beelden van hoge kwaliteit zélf op Wikipedia te zetten voor hergebruik. Dat zou heel krachtig zijn.

De realiteit is dat musea er vaak gewoonweg niet in slagen om alle data aan te maken. Kijk naar de Tate die voor een webpagina over Francis Picabia de volledige biografie ging plukken op Wikipedia. Ze doen dat natuurlijk niet voor elke kunstenaar. Over andere kunstenaars hebben ze wel zelf biografische teksten geschreven, maar het zegt wel iets.

De openbare bibliotheken hebben dat al langer ingezien en trekken al jaren informatie uit Wikipedia binnen in hun catalogus. Als je in de bibliotheek van het Brusselse Muntpunt een opzoeking doet over bv. Hendrik Conscience, zul je merken dat de informatie over Hendrik Conscience als onderwerp uit Wikipedia komt. Onze organisaties zouden de reflex moeten hebben om hun eigen beelden van hoge kwaliteit zélf op Wikipedia te zetten voor hergebruik. Waar we naartoe moeten is dat cultureel-erfgoedorganisaties zowel zelf open data en beelden ter beschikking stellen aan anderen, als de open data en beelden gebruiken die anderen aan hen ter beschikking stellen. De omgang met open data en beelden moet in twee richtingen gaan.”

Sleutelmomenten en –personen

Rony Vissers en Bert Lemmens: "Om een omslag te maken in het digitaal beleid is ‘het momentum’ soms erg belangrijk. De tijdelijke sluiting van een museum voor een renovatie of ver(nieuw-)bouwing blijkt nogal eens dat uitgelezen moment. Het Rijksmuseum in Amsterdam, Cooper Hewitt in New York of het Smithsonian Insitute in Washington, het zijn allemaal voorbeelden van musea waarvan het digitaal beleid een enorme push kreeg toen ze gesloten waren. Een publieke aanwezigheid en zichtbaarheid zijn essentieel voor musea om niet ‘vergeten’ te worden. Tijdens een sluiting is er de noodzaak en de tijd om na te denken over een grote (digitale) aanwezigheid en zichtbaarheid. De kiemen van een goed digitaal beleid en een strategie worden dan vaak gelegd. Dat momentum hebben we de voorbij jaren ook gezien in het Zilvermuseum, waar door de gedwongen verhuis en transformatie tot DIVA de ruimte ontstond om alle digitale systemen grondig te vernieuwen en als een van de eerste musea in Vlaanderen een echte digitale strategie op te stellen.

En je moet de juiste mensen op de juiste plaats hebben natuurlijk. In Cooper Hewitt was Seb Chan de grote bezieler, in het Smithsonian Michael Edson. In het Rijksmuseum is nu Saskia Scheltjens, die haar sporen verdiende in de Nederlandse en Belgische digitale wereld, aan de slag als hoofd van de (digitale) onderzoeksdiensten. Maar dat is niet genoeg: de directie en het topmanagement moeten mee zijn, de afdeling digitaal volop steunen én de afdelingshoofden die ‘moeilijk’ doen wijzen op hun verantwoordelijkheid op digitaal vlak. Anders lukt het gewoonweg niet."

Publiekswerking kan gewoonweg niet meer zonder digitale steun

Op de vraag of het digitale de ‘authentieke ervaring’ beïnvloedt, zijn Rony en Bert kort en duidelijk. “Je kan het digitale niet meer wegdenken, zo eenvoudig is dat. En we moeten ophouden om de strakke opdeling tussen digitale en analoge werelden te maken. De veronderstelling dat een ‘authentieke ervaring’ enkel in de analoge werkelijkheid mogelijk is, is achterhaald. Die werelden kruisen voortdurend. En het is zaak om zo slim mogelijk gebruik te maken van het digitale om aan mensen die ‘authentieke ervaring’ te bezorgen. Je moet je natuurlijk goed afvragen waar je de technologie voor gaat gebruiken. Is het om de kwaliteit van de bezoekerservaring te verhogen, of om er dingen mee te gaan doen die anders nooit in een museum zouden mogelijk zijn?

Het komt erop neer dat we de digitale technologie moeten gebruiken waarvoor ze bruikbaar is. Met digitale beelden kan je ‘authentieke aspecten’ zichtbaar maken die je met het blote oog nooit kan waarnemen. Denk daarbij onder andere ook aan de toegankelijkheid voor blinden en slechtzienden die zonder technologische ondersteuning zouden beperkt worden in hun beleving. Soms zijn objecten te kwetsbaar om getoond te worden en dan is het heel zinvol om 3D-replica’s in te zetten. En waarom (soms) niet opteren voor het plaatsen van schermen waarop curatoren iets vertellen in plaats van steevast voor een zaaltekst of een audiogids te kiezen? Vergeet ook niet dat ondertussen veel cultureel erfgoed in digitale vorm wordt gecreëerd: films, video- en audio-opnamen, foto’s, tekstdocumenten, bouwplannen, databanken, e-mails, websites … Die hebben vaak geen analoge versie meer, of toch niet met dezelfde functionaliteiten.”

Een nieuw gat in onze cultuur: wat met digitaal erfgoed?

"Waar amper tot niet bij wordt stilgestaan, is dat al deze digitale toepassingen en het digitaal gegenereerde materiaal óók een erfgoedwaarde krijgen. Wie houdt zich daar vandaag mee bezig? Dit is echt problematisch: er wordt in onze sector onvoldoende over deze vraag nagedacht, er bestaat geen enkel overzicht van dat digitaal gegenereerde materiaal, dat een leidraad zou kunnen zijn om te bepalen wát we zouden moeten archiveren. Cultureel-erfgoedinstellingen verzamelen bv. kranten en brieven. Maar het overgrote deel van onze informatie lezen we vandaag niet op papier maar in elektronische vorm en op het web, zelfs de krant en onze correspondentie. Krantenartikels wijzigen op het web doorheen de tijd en verschijnen niet allemaal nog in de gedrukte versie. Communiceren doen we vandaag meestal niet meer per brief maar via e-mail en sociale media. Er is in de cultureel-erfgoedsector zelfs niemand mislukt in het archiveren van dat digitaal gegenereerde materiaal omdat er gewoonweg nauwelijks pogingen zijn ondernomen. Over x-aantal jaren zal men ongetwijfeld terugkijken en zich de vraag stellen hoe het mogelijk is dat wij vandaag zo een gat in onze cultuur hebben gecreëerd. Dat is ook wel een ‘generationeel ding’: mensen die in de digitale wereld opgroeien zullen dat onderscheid tussen analoog en digitaal sowieso niet meer maken."

Digitaal of niet-digitaal: het zou geen issue meer mogen zijn

"Dit gat in onze cultuur toont trouwens ook aan dat we nog steeds teveel een onderscheid maken tussen het digitale en het niet-digitale. Het digitale is vandaag al zo sterk verweven in onze hele samenleving, dat dit onderscheid eigenlijk geen issue meer is of zou moeten zijn. In een ideale wereld zullen we in de toekomst geen visienota digitale cultuur meer nodig hebben want dan zitten de digitale aspecten helemaal verweven in het algemene beleid, zonder onderscheid."

Herkomst illustraties:

  • Kazerne Dossin, panoramisch zicht. Wikimedia Commons, by Jessica Dommicent - Own work, CC BY-SA 4.0
  • Duif met camera. Wikimedia Commons, by Ph.viny - Own work, CC BY-SA 4.0
  • Kazerne Dossin, digitalisering van werken. Wikimedia Commons, by Romaine - Own work, CC BY-SA 4.0
  • Mundaneum. Wikimedia Commons, by Stefaan Van der Biest - Own work, CC BY-SA 4.0
  • James Ensor. Flickr.com, by Frans Vandewalle, CC BY-NC 2.0
  • Francis Picabia, Flickr.com, by cea+, CC BY 2.0
  • Star-wheel rakes. Wikimedia Commons, by Rosita Santens - Own work, CC BY-SA 4.0
  • Moulages, Brussel. Wikimedia Commons, by Christine Van Heertum - Own work, CC BY-SA 4.0

Alle foto's zijn gemaakt door vrijwilligers in het kader van Wiki loves Art, een participatief project van o.a. Wikimedia België, FARO en PACKED vzw (voor meer informatie, klik hier).

Afleveringen van 'Het digitale museum':

Olga Van Oost