Participatiecafé nummer twee

Wie er zelf niet meteen rechtstreeks mee te maken heeft, gaat er vaak aan voorbij: het lokale dienstencentrum. Dienstencentra richten zich tot personen in een beginnende zorgsituatie en hebben als opdracht ondersteuning te bieden. Maar dat een dienstencentrum ook best een krachtige katalysator kan zijn in een buurt, bewijst Ter Vlierbeke in Kessel-Lo.

Laagdrempelig

Het lokale dienstencentrum stelt zich tot missie het zelfstandig wonen van ouderen zoveel mogelijk te bevorderen. Danny Geutjens: “We hebben een heel laagdrempelige werking, maar die is vaak ongekend. Het centrum is pluralistisch, en dient geen commercieel doel. Het is er werkelijk voor iedereen. We besteden wel extra aandacht aan mensen met een handicap, en aan mantelzorgers.”

Ouderen zo lang mogelijk actief laten zijn, is het leidend motto voor alle initiatieven die het dienstencentrum onderneemt. Het lokale dienstencentrum is tegelijk een eerste onthaal- en aanspreekpunt voor ouderen, én aanbieder van zowel recreatieve, vormende als dienstverlenende activiteiten. Ter Vlierbeke bouwt daarenboven ook actief een buurtwerking uit. Die startten ze ooit wijselijk met een bevraging bij bewoners in de buurt. Daaruit bleek dat er vooral nood was aan ontmoeting. Als antwoord op die behoefte trok Ter Vlierbeke er met een koffiekar op uit. Als vanzelf verzamelden mensen zich rond dit warme punt. Een effectieve remedie tegen vereenzaming. Sindsdien tracht het dienstencentrum nog meer op het getouw te zetten in de buurten die het centrum omringen. Outreach-werk is dus net zo belangrijk en zinvol als de indoor activiteiten voor het centrum. Ter Vlierbeke telt slechts enkele professionele krachten, maar een grote ploeg aan vrijwilligers werken mee – uitvoerend, maar evengoed stippelen ze mee de koers van het centrum uit.

Nieuwe invulling

Philippe Liesenborghs doet tijdens het Participatiecafé de werking van burgerbeweging OpgewekTienen uit de doeken. Hij trok deze beweging in 2009 in de stad Tienen op gang vanuit een ongenoegen over een gebrek aan dynamiek in de stad. Zo was bijvoorbeeld het verenigingsleven op dat moment op sterven na dood. Erfgoed bleek een gedroomd middel te zijn om bewoners opnieuw met elkaar te verbinden, om hen opnieuw fier te laten zijn, en om hen te engageren. Zo werd onder meer de reuzengilde terug leven in geblazen. Maar niet door exact over te doen wat er ooit was. Er kwam een nieuwe invulling.

De burgerbeweging splitst zich uit in een tiental (actie)groepen die elk een eigen koers varen. Er is een kleine, overkoepelende kerngroep waarbij alle lijnen samenkomen: dat zorgt voor openheid en verbinding tussen de groepen. Philippe Liesenborghs: “De groepen ontwikkelen zich organisch. Onze grootste troef is de gedrevenheid van de vele vrijwilligers. Er is heel veel goesting. Eigenlijk gaat het niet om alle kleine activiteiten op zich, wel om het proces dat zich afspeelt. En dat benoemen we constant. Wij zijn onafhankelijk en neutraal. Al wil het politieke leven zich wat graag aan ons liëren. Die boot houden we af. Al krijgen we veel steun van de stad.”

Er is nu bijvoorbeeld een participatief samengestelde Kweikerstoet in Tienen. Een draak die bewoners samen met een kunstenaar hebben gemaakt, paradeert telkens mee. Deze stoet trekt ieder jaar van buurt naar buurt; en om de vijf jaar trekt hij door het centrum. Een dergelijke werking van een burgerbeweging kan natuurlijk niet zomaar worden gekopieerd in een andere stad of gemeente. Precies omdat het een proces is waarop zoveel verschillende (unieke, lokale) krachten inwerken.

Durven springen

Wat leren we hieruit als erfgoedorganisatie voor onze eigen participatieve werking? Na deze getuigenissen voeren we de discussie in groep tijdens het Participatiecafé. Het gesprek brengt ons bij de omgang van erfgoed als middel of als doel. De groep is het erover eens dat je participatie als organisatie moet ‘toelaten’ met de nodige openheid. Het gaat om een denkwijze, een houding die je jezelf aanmeet. En ook om het lef om los te laten en te ‘durven springen’. Het gaat ook om de wil om in gesprek te gaan met iedereen die je organisatie omringt. En om iedere dialoog die je aangaat als een meerwaarde en als relevant te beschouwen voor je werking. Maar ongeacht hoe het proces zich afspeelt, het is wél aangewezen om te kunnen benoemen welk effect je wil bereiken. En neen, we hebben het dan expliciet niet over bezoekerscijfers.

Wilt u er graag bij zijn bij een volgend Participatiecafé? Dat kan nog. Op 11 september zijn we te gast in de bibliotheek van Genk. De burgemeester van Neerpelt vertelt er meer over 'een hart voor Neerpelt' en hoe de gemeente expliciet de participatieve kaart trekt. Inschrijven kan hier

Ondertussen blijven alle reacties op onze Expeditie Participatie welkom! We ontvingen dit keer een reactie van Joanna Smits, publieksmedewerker in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. U kunt hier haar antwoord bekijken op de vraag of er een verschil is tussen vrijwilligerswerking en participatie.

Hildegarde Van Genechten