Leestip | Pieter Bruegel. De biografie

Zoals we hier al eerder signaleerden zet Toerisme Vlaanderen tussen 2018 en 2020 sterk in op de campagne ‘Vlaamse Meesters’. De aanleiding voor die campagne is meervoudig. Zo is er de heropening van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, de herdenking van de 450e verjaardag van het overlijden van Pieter Bruegel en de terugkeer van het Lam Gods naar de Sint-Baafskathedraal. Bij Uitgeverij Polis verscheen onlangs een nieuwe biografie over Pieter Bruegel. Warm aanbevolen lectuur, en wel om verschillende redenen.

Wie het leven van Pieter Bruegel (1525?-1569) wil beschrijven, begeeft zich op spekglad ijs. De schepper van onder meer iconische werken als ‘De val van de opstandige engelen’, ‘Dulle Griet’, ‘De boerendans’, ‘De spreekwoorden’ en ‘Luilekkerland’ liet immers – naast zijn wereldberoemde werken – weinig tot geen bronnenmateriaal van betekenis na. We leren in het boek bovendien dan hij niet bepaald een spraakzaam man was (of we missen getuigen die dat kunnen tegenspreken). Huet: hij was “een stille man [...] geen brallerige opschepper.”

Om hem uit de eerste hand te omschrijven, grijpt Huet terug naar (de bij kunsthistorici bekende) Karel van Mander (1548-1605), een chroniqueur, tijdgenoot en ook schilder. Hij publiceerde in 1604 het beroemd geworden ‘Schilder-Boeck’. Interessant is dat de passus over Bruegel achteraan het boek van Huet is opgenomen, samen met nog een heleboel ander interessant bronnenmateriaal.

Ekfrasis

Maar de belangrijkste bron van Huet zijn zijn schilderijen zelf, en hetgeen we weten over zijn netwerk en de bredere geschiedenis van de 16e eeuw. Wat ik erg mooi vind aan Huets werk, is dat ze zeer aandachtig kijkt, en de lezer uitnodigt hetzelfde te doen. Zelden heb ik een boek zo vaak gedraaid (het boek bevat – naar mijn mening te weinig – verschillende reproducties van schilderijen), om wat Huet beschrijft te bekijken. Op den duur was ik zelfs zo enthousiast dat ik de schitterende collectie Bruegels ben gaan bekijken in het Museum voor Schone Kunsten van België, op een steenworp van de Brusselse Grote Markt.

Voor haar beschrijving haalt Huet de oude literaire techniek van de ‘ekfrasis’ van onder het stof. Wikipedia leert me dat het gaat om “een beschrijving van een voorwerp die zo beeldend en kunstig was, dat de toehoorder er een zo goed mogelijke voorstelling van kreeg: de toehoorder moest door visualisering (ook wel aangeduid met het Griekse ‘energeia’ of het Latijnse ‘evidentia’) als het ware tot toeschouwer worden gemaakt.” En zo is het maar net. Huet beoefent het genre van de ekfrasis werkelijk met brio. Bijvoorbeeld helemaal in het begin van het boek, met een meeslepende beschrijving van de Dulle Griet (waarvoor ze een nieuwe betekenis-these naar voren schuift).

Daarbij vertelt ze in een adem iets over zowel de ‘herontdekking’ van de Vlaamse primitieven in de loop van de 19e eeuw, als de aankoop van het schilderij door de jonge kapitaalkrachtige Antwerpse edelman Frits Mayer van den Bergh. Die kocht het schilderij op een veiling in Keulen, voor een prikje. De terugkeer van het schilderij naar Antwerpen is voor Huet het aanknopingspunt om het 16e-eeuwse Antwerpen van Bruegel in levendige kleuren te borstelen. Bruegel wordt via haar blik een belezen, erudiete schilder die uit heel verschillende bronnen zijn inspiratie haalde. Een lange reis naar Italië (waar hij toegang kreeg tot verschillende collecties met renaissanceschilderijen, maar zich ook vergaapte aan de monumenten van het oude Rome), middeleeuwse boekverluchting, zijn omgeving en de natuur zelf.

Uithangbord

Huet zet zich dan ook fel af tegen een Bruegel die gecast wordt als een uithangbord van “Het materialistische, brassende (...) Vlaanderen, een van de hardnekkigste, meest vermoeiende clichés uit onze cultuurgeschiedenis.” Aan de hand van een fijne analyse van Bruegels doeken en etsen bouwt Huet een stevige, meeslepende argumentatie op, met oog voor details. De onbekende Bruegel wordt zowaar een man van vlees en bloed.

Waarom u dit boek zou moeten lezen? Om – wat mij betreft – de vaardigheid van de vertelling, de lichtvoetigheid van de toon, de slimme opbouw. Interessante literatuur voor iedereen die met (zaal)teksten bezig is, catalogi, tentoonstellingen, scenografie en (kunst)geschiedenis tout court. En uiteraard, als u iets plant naar aanleiding van de 'Vlaamse Meesters'. U komt maar beter beslagen op het ijs.

Leen Huet, Pieter Bruegel. De biografie, Polis, 435p.

Roel Daenen