Visscherskoppen. Helden op zee.

De 'Visscherskoppen' van Stephan Vanfleteren stellen een vijftiental mannen voor die symbool staan voor de vissers van vroeger, de vissers van nu en die van de toekomst. Stuk voor stuk mannen die respect verdienen. Het is keihard werken, vaak dag en nacht, en ondertussen de vochtige koude en de bijtende wind trotseren, om nog niet van storm te spreken en van de zeeziekte die zelfs de meest doorwinterde schipper of matroos durft te vellen. Nog sterker worden de foto’s als je er ook de verhalen hoort bij vertellen…

Zo maakte Charles Beuckels de fameuze black frost mee, met de Z.571 Zephyr. "Dat in de winter van 1968, die beruchte reis dat we de hele tijd vliegende storm hebben gehad. Waaien, waaien, waaien… en koud! Het water dat aan boord sloeg, vervroos direct. We moesten onder de wal gaan liggen omdat het schip zo zwaar werd van het ijs en drie keer per dag moesten we het ijs gaan afkappen met een bijl. Achteraf was heel die reling kapot van al die bijlslagen. Mijn vingers zijn toen bevroren. Ik heb twee jaar lang geen gevoel meer in mijn vingertoppen gehad. Vissen konden we niet, het was altijd maar bijliggen, opperen onder de wal gaan. We zijn dan vroeger naar huis gekomen, we konden de reis toch niet meer redden. We hadden toen maar 45 bennen mee. Stel je voor: vijftien dagen weg voor 45 bennen! We hebben toen niets verdiend. We kregen vijfhonderd frank van de baas, uit compassie, maar ochgod, we konden er niet eens ons eten aan boord mee betalen!"

En ook John Deley maakte dat mee. "Min 28, min 30 en ’t hele schip onder een dikke laag ijs. Dan zijn mijn handen bevroren en sindsdien heb ik er veel last van. We moesten urenlang op het dek staan om ijs te kappen. Want de schipper wilde vissen! Maar van het moment dat we weer in zee waren, vroor heel dat schip weer aan en mochten we weer beginnen kappen. Bij overmaat van ramp was onze kachel uitgeslagen, we konden ons niet meer warmen en we konden niet meer koken. We hebben dan zeven dagen aan een stuk in de koude gezeten en droge stúten gegeten."

Maar de verhalen over ijs en storm zijn nog maar een peulschil bij de verhalen over schipbreuk of wanneer ze iemand van de bemanning voor hun ogen zagen verdrinken.  Jef Ocket was schipper op de O.342 Normandie. Het schip liep op een rots en verging. Maar ook één van zijn matrozen kwam om. "Op dat moment werd ook Bennie, een van de matrozen, weggeslingerd. We stapten in de reddingsboot, roeiden naar hem toe, want we zagen hem in het licht van de maan, maar er zat heel veel stroming. Hij dreef af, hij kon nochtans goed zwemmen. We riepen 'Bennie, Bennie, Bennie!' Op twee meter afstand is hij gezonken. Het was te laat. En hij is niet meer bovengekomen. ’t Was zoveel als me zeune, die jongen. We hebben hem niet meer weergevonden."

Als je die verhalen hoort vertellen, dan besef je dat die vissers hun stiel uitvoeren met heldenmoed. Ze gaan er niet prat op en ermee pochen doen ze alleszins niet. Maar zeg best niet 'de vis gaat duur.' De vis wordt nooit te duur betaald!

De Visscherskoppen van Stephan Vanfleteren zijn nog tot eind mei te zien in de vismijn van Oostende. Nadien kan je ze bewonderen in het Nationaal Visserijmuseum in Oostduinkerke.

Leestips:

- logboek 'Visscherskoppen', uitgegeven door TAZ naar aanleiding van de tentoonstelling in 2008
- VERVAELE (Katrien), Naar Island! Vissers vertellen over de IJslandvaart, Lannoo, Tielt, 272p.

Afbeeldingen:

Visscherskoppen van Stephan Vanfleteren in de Vismijn te Oostende, foto's genomen door Katrien Vervaele