De uitvinding van een stad

Brugge stelt zichzelf graag voor als een van de mooiste steden van Europa. Unesco plaatste in 2000 de volledige historische binnenstad op de beroemde werelderfgoedlijst. Tussen de kronkelende steegjes en romantische reien geniet de bezoeker van de illusie om in de middeleeuwen beland te zijn.

Maar hoewel de Brugse binnenstad talloze middeleeuwse sporen draagt, is het wereldvermaarde stadsbeeld grotendeels een creatie uit het einde van de 19de eeuw. Men greep toen terug naar dé bloeiperiode van Brugge. Dit uitte zich niet alleen in het organiseren van stoeten, evenementen of de oprichting van standbeelden, maar ook in de architectuur.  Het historiserend bouwen vond in het Brugge van de 19de eeuw een vruchtbare voedingsbodem. Eén van de belangrijkste architecten van de historiserende architectuur uit die periode was Louis Delacenserie. Onder invloed van grote voorbeelden als King en Viollet-le-Duc ontwikkelde hij zich tot een talentvol architect in neostijlen en restauraties. Naar aanleiding van de 100e verjaardag zijn overlijden, organiseert het Bruggemuseum een tentoonstelling over stadsarchitect Louis Delacenserie en de periode die zo bepalend geweest is voor het uitzicht van Brugge.

Over de architectuur in Brugge is al veel geschreven en gedebatteerd, niet enkel door kunsthistorici die in bewondering staan voor de mooie gebouwen, maar ook door bezoekers en zeker door inwoners. Iedereen heeft wel een mening over het uitzicht van de stad. En dit was niet anders in de 19e eeuw. Toen was Brugge ‘witte stad’. Naar de neoclassicistische mode van die tijd werden vele gevels witgepleisterd en opgesmukt met elementen die verwezen naar de klassieke oudheid.

Maar in Brugge en ook elders in Europa ontstond er een algemene hang of verlangen naar het verleden, vooral naar periodes van grote bloei. Voor Brugge waren dit de middeleeuwen, toen de stad een belangrijk handelscentrum was waar verschillende nationaliteiten elkaar vonden. Deze heimwee uitte zich onder andere in het organiseren van stoeten en evenementen, de oprichting van standbeelden, de creatie van een nieuwe zeehaven maar is ook terug te vinden in de architectuur. Onder impuls van voortrekkers als James Weale, schepen Alfred Ronse, architect Karel Verschelde en kanunnik Adolf Duclos werd het historiserend bouwen - vooral in neogotisch stijl - naar voor geschoven. Ze argumenteerden dat het behoud en de restauratie van het middeleeuwse karakter van de stad, een nieuwe economische en toeristische bloei zouden mogelijk maken. Dat ze gelijk hadden, bewijzen de miljoenen bezoekers die sindsdien het Venetië van het Noorden hebben bezocht.

Een van de belangrijkste personen in de 19e eeuwse ontwikkeling van de stad was stadsarchitect Louis Delacenserie. Het nieuwe katholieke stadsbestuur ondersteunde vanaf 1876 de nieuwe stroming en het was dan ook in hun opdracht dat Louis Delacenserie enkele van zijn grootste realisaties bouwt, zoals de normaalschool in de Sint-Jorisstraat en de Minnewaterkliniek. Maar ook het bestaande patrimonium werd gerestaureerd. De restauraties werden door het bestuur aangemoedigd met subsidies, de zgn. Kunstige Herstellingen. Het huis de Roode Steen op het Jan van Eyckplein was het allereerste huis dat zo - naar plannen van Louis Delacenserie - terug een gotisch uitzicht kreeg. Hij nam ook onder meer het Gruuthusepaleis, de hal en de gotische zaal van het Stadhuis, de Burgerlijke Griffie, de Heilig-Bloedkapel en de Stadshallen onder handen, zodat we wel kunnen zeggen dat hij - letterlijk - zijn stempel op de stad drukte.

Delacenserie kreeg zijn opleiding Delacenserie aan de academie van Brugge. Zijn talent werd bevestigd toen hij de Prijs van Rome won. Hierdoor kon hij enkele jaren reizen en de klassieke architectuur in onder andere Italië en Griekenland leren kennen en bestuderen. Zijn eerste realisaties in Brugge waren dan ook neoklassieke ontwerpen voor de nieuwe wijk rond de pas opgerichte Stadsschouwburg. Maar in opdracht van het nieuwe katholieke bestuur legde hij zich toe op de neogotiek. Louis Delacenserie ging bij het ontwerpen en restaureren heel nauwkeurig te werk, net als zijn voorbeeld, de grote Franse architect Viollet–le-Duc. Hij deed historisch en bouwkundig onderzoek en werkte het gebouw af zoals ze het volgens hem in de middeleeuwen bedoeld hebben; dat daarvoor toevoegingen of verwijderingen gebeurden was eigen aan de monumentenzorg van die tijd.

De tentoonstelling ‘De uitvinding van Brugge. De stad van Delacenserie’ neemt je mee doorheen het Brugge van de 19e eeuw, met de opkomst van het toerisme en het lobbywerk voor de gotische bouwkunst. De focus ligt uiteraard op het grote oeuvre van Delacenserie, met de nieuwbouw van het Provinciaal Hof en de restauratie van het paleis van Gruuthuse als blikvangers. Het mooie beeldmateriaal en de plannen die de tentoonstelling verlevendigen, komen onder meer uit het Stadsarchief van Brugge en de Dienst Monumentenzorg en Stadsvernieuwing.

De tentoonstelling loopt nog tot en met 25 april 2010. Alle info op de website 'De uitvinding van Brugge'.

Draagt jouw stad, gemeente of regio ook sporen van deze 19e-eeuwse, historiserende stroming, waarin een heroïsch, welvarend verleden werd verzinnebeeld? Toon en verduidelijk de mechanismen van deze stenen (of andere) romantische illusies...

Afbeeldingen:
- Boven: standbeeld Breydel en De Coninck, met voet naar ontwerp van
Louis Delacenserie (Stadsarchief Brugge)

- Vlnr: detail Tolhuis n.a.v. de restauratie door Louis Delacenserie
(Dienst monumentenzorg en stadsvernieuwing, Brugge) en historische affiche.