Dag 5: Ethnographic collections, aspects of research, preservation and conservation | Summer school

Lucie Monot werkt reeds vier jaar als conservator in het Musée d'ethnographie de Genève, Zwitserland. Zij vertelde over de verbeteringen die het museum de laatste jaren heeft ondernomen op vlak van depotbeheer en de uitdagingen die verband houden met de diversiteit in materialen van etnografische objecten.

Hierna vertelde ze meer over het museum zelf en over een van de grote projecten waarmee het team bezig is, met name de voorbereiding van een tweede grote verhuis die zal plaatsvinden in 2018. Ze raadde aan om bij een verhuis zoveel mogelijk mensen van het museum te betrekken bij de voorbereiding ervan. Vervolgens vertelde ze meer over de collectie, en hoe die in de toekomst zal teruggebracht worden van zeven naar elf subcollecties. Ze benadrukte dat Europese objecten een zeer groot deel van de collectie uitmaken, vooral dan uit het gebied van de Alpen.

"In 2015 ICOM-CC changed the Working Group on Ethnographic Collections into Working Group of Objects from Indigenous and World Cultures."
Lucie Monot

Vervolgens vertelde ze meer over het evalueren en 'waarderen' van een collectie op subcollectieniveau en over het belang om risico’s zoveel mogelijk uit te schakelen terwijl de collectie toch toegankelijk moet blijven voor ontsluiting en onderzoek. Via beeldmateriaal toonde ze de verschillende toepassingen van opslag, verpakking en ondersteuning. Als tip gaf ze een website met tips & tricks voor depotopslag.

La Cambre - Kinshasha

Annie Gilbert en Eloise Delaval, net afgestudeerd als masters in Conservatie-Restauratie aan La Cambre, vertelden over hun ervaring in Kinshasa. In 2013 startte La Cambre een project op waarin kennis en kunde over depotbeheer wordt uitgewisseld met het Instituut van het Nationale Museum van Congo (IMNC), waar zo'n 45.000 objecten worden bewaard en tentoongesteld. Het depot bestaat vooral uit houten beelden en keramiek.

Gilbert en Delaval vertelden meer over hun ervaring en over het feit dat informatie over de objecten vooral mondeling werd doorgegeven, waardoor er amper schriftelijke informatie aanwezig was. De temperatuur en relatieve vochtigheid bleken niet gunstig voor het bewaren van organische materiaal, en ook de conditie van deze objecten was niet al te best. Ook vertelden ze over het verschil in perceptie: voor de studenten uit Kinshasa was het moeilijk te vatten dat ze iets zouden moeten 'bewaren om te bewaren'. 

Hiermee rekening houdend probeerden de studenten van La Cambre richtlijnen uit te werken. Samen met de studenten uit Kinshasa documenteerden ze de objecten, namen ze foto’s en maakten ze een inventaris op, werden de objecten afgestoft en werd van elk object een conditierapport opgesteld. Hierna ging men over naar het stabiliseren van de objecten in depot. Er werd vooral met gerecycleerd karton van de lokale markt en met gerecycleerd polyethyleen (inert plastiek) uit verpakkingsdozen gewerkt. Het verschil was enorm groot in wat ze hadden ervaren in Kinshasa en wat ze geleerd hadden op school in La Cambre.

Volgend jaar worden voor een laatste keer studenten van La Cambre uitgestuurd naar Kinshasa. Hierna is het de bedoeling dat de studenten van Kinshasa de opleiding zelf voortzetten.

Slim gebruikmaken van ruimte

Martijn de Ruijter, conservator aan het Tropenmuseum in Amsterdam en docent aan de Reinwardt Academie, vertelde meer over hoe slim gebruik te maken van ruimte. Er zijn veel depots die te krap zijn doordat de beschikbare ruimte niet ten volle benut wordt. De Ruijter werkte, o.a. in het kader van het Re-Orgproject, reeds in verschillende landen en stelde daarbij vast dat het belangrijk is om niet enkel uit te leggen hoe men het moet doen, maar dat het vooral van belang is om mensen doorheen het traject (proces) te gidsen zodat ze uiteindelijk zelf beslissingen kunnen nemen.

Het proces:
unconsciously incompetent - conscious incompetent - competent but conscious - unconscious competent

Vervolgens ging de Ruijter over naar de diverse materialen voor depotopslag en toonde ons verschillend verpakkingsmateriaal, van diverse plastieksoorten tot toepassingen van zuurvrij karton. Hij vertelde dat het vooral belangrijk is dat het materiaal dat je gebruikt compatibel moet zijn met het object. Indien het object zuur is, heeft het geen zin om met zuurvrij karton te werken. Ook polyethyleen, gekend als inert, is niet altijd even onschuldig omdat er verschillen kunnen optreden in kwaliteit. De Ruijter raadt bubbelplastiek sterk af als verpakkingsmateriaal, vermits dit materiaal op lange termijn een afdruk kan geven op het object. Hij sprak ook kort over Oddy-testing om de compatibiliteit te achterhalen van een materiaal.

Hessenhuis

In de namiddag werd een bezoek gebracht aan een depot van het Museum aan de Stroom (MAS), nl. het Hessenhuis in Antwerpen. Els De Palmenaer, curator van de Afrikacollectie, gaf ons een rondleiding door het depot en gaf ons een unieke kijk in de collectie van Afrika en Oceanië, bewaard in een speciale stofvrije ruimte voor gevederde objecten. Hierna vertelde ze meer over de inventarisatie en standplaatsregistratie. De gevaarlijke (giftige) objecten en de objecten met een kleverige oliepatina werden apart met kleurcodes gemerkt. 

Vervolgens gaf Roland De Prins, expert in schelpen aan het Onderzoekscentrum voor mariene ongewervelden in Mechelen, een presentatie over het gebruik van schelpen bij etnografische objecten. Hij begon bij de vraag wat een schelp juist is en lichtte toe uit welke materialen ze bestaat. Hoe deze ongewervelde diertjes leven in het water en hoe de bouw van de schelp zich hiertoe heeft gevormd.

Daarna zoomde hij in op de etnografische objecten. Hij legde uit wat voor hem ‘authenticiteit’ betekent, nl. gemaakt door de gemeenschap, voor de gemeenschap en gebruikt door de gemeenschap. Hij legde uit dat bij het identificeren van ‘fakes’, o.a. schelpen hierbij kunnen helpen omdat diverse schelpen enkel specifiek in een gebied worden teruggevonden en dus kunnen aantonen of een object wel degelijk gemaakt werd bij een bepaalde gemeenschap. Via diverse objecten uit het MAS en uit zijn privécollectie, meer bepaald een Malaganmasker, KapKapornamenten en NguzuNguzu - een beeld dat vooraan een oorlogskano hing tegen de zeegeest (Kesoko), legde Roland uit hoe diverse schelpen kunnen geïdentificeerd worden via de microstructuur en de opbouw van lagen. Via een vergrootglas dat verbonden was met de computer konden de studenten gemakkelijk meekijken. Hij vertelde bovendien meer over de kleur van een schelp, die kan veranderen naargelang de omgeving waarin het ongewervelde diertje zich bevindt, het voedsel dat het opneemt en o.a. het ijzergehalte (denk aan de scheepswrakschelpdieren die bruin worden door het hoge gehalte aan ijzercorrosie). Hij gaf ook te kennen dat de kleuren van een schelp zeer snel vervagen eenmaal ze uit het water worden gehaald.

Hij vertelde ook iets meer over CITES, ‘Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora’ (1975). De checklist kan online geraadpleegd worden waarbij alle beschermde levende organismen worden opgesomd. 

Op het einde van de dag hadden de studenten nog een uur de tijd om aan hun objecten te werken.




English version will be online next week.

Julie Lambrechts