ICOM-museumdefinitie: wat nu?

Groepsportret van vijf Japanse vrouwen aan de maaltijd in Kyoto, anoniem, ca. 1870 - ca. 1900 via Rijksstudio

Het leken wel Brexittoestanden, vorige week in Kyoto. Moesten we de nieuwe ICOM-museumdefinitie accepteren, ja of nee? Dat dilemma deed de spanning oplaaien. De discussie polariseerde de groep: voor- en tegenstanders verdedigden hun standpunt met vuur. Het eigen gelijk scheen op den duur belangrijker te worden dan de inhoudelijke discussie. Nu, zoals ik eerder aangaf, die discussie werd ondergeschikt aan de (terechte) kritiek op de gehanteerde methodologie en het gevolgde proces om tot het voorstel te komen. 

Het is dus enigszins cynisch – en op ecologisch vlak wraakroepend – dat duizenden mensen naar Kyoto moesten vliegen om uiteindelijk te stemmen over … het uitstel van een beslissing. Maar hopelijk heeft de hele situatie het ‘machtscentrum’ van de International Council of Museums – zijnde de president en zijn ‘Executive Board’ – wakker geschud en kunnen ze de eigen machtspositie even loslaten, diep nadenken over hoe de zaken verlopen zijn, analyseren en – vooral – remediëren.

Als ICOM dé internationale organisatie voor musea en museumprofessionals wil blijven, zal het voeling moeten (blijven) houden met wat er leeft in de sector, en zou het ook goed zijn dat het er zich van bewust is dat beslissingen zoals over een museumdefinitie er niet eventjes kunnen ‘doorgeduwd’ worden. ICOM zou ook grondig kunnen nadenken over manieren om een veel groter aantal musea en landen in de besluitvorming te betrekken. Akkoord, we waren met 4.500 professionals in Kyoto, wat indrukwekkend lijkt, maar we moeten ons ervan bewust zijn dat dit nog steeds de ‘elite’ was, mensen en organisaties die het zich konden permitteren. 

Van die 4.500 deelnemers kon er slechts door een 500-tal gestemd worden, leden van de ‘Bijzondere Algemene Vergadering’. Dit in de veronderstelling dat deze ‘stemgerechtigde leden’ het expliciete mandaat hebben om de museumprofessionals uit eigen land te vertegenwoordigen. Of dat steeds het geval is, is slechts de vraag. Veel leden van ICOM lijken zich niet of nauwelijks bewust te zijn van deze manier van werken; dat ligt ook aan de ICOM-communicatie, en de verdere verspreiding ervan door de nationale comités. 

Park met kersenbomen en Japanners, Kyoto, anoniem, ca. 1895 - ca. 1915 via Rijksstudio

De volgende stappen?

De druk op ICOM is momenteel alleszins groot. Want wat zijn de volgende stappen? Blijft het Bijzondere Comité rond de museumdefinitie aan zet? Hoe zal te werk worden gegaan? De opdracht is niet gering, en ze zal enkel kunnen slagen wanneer ICOM én de internationale museumgemeenschap in staat zijn om samen de moeilijkheden achter zich te laten, en écht opnieuw te beginnen. Hopelijk kunnen we dan ook snel tot de kern van de zaak komen, en het (terug) over de doelgroep, de doelstellingen en de inhoud van de museumdefinitie hebben. Voor wie de schouders ophaalt en zich afvraagt waarvoor al die fuzz nu precies nodig is, verwijs ik naar mijn eerdere blog. Het belang van die museumdefinitie kan nauwelijks onderschat worden.

De doelgroep en doelstellingen

Voor wie was de ICOM-museumdefinitie in het verleden bestemd? 'De internationale museumgemeenschap' is het geliefde antwoord, en ja, een definitie als deze schept een (wereldwijde) band. Maar op de keper beschouwd, zijn het toch beleidsmakers die er – eveneens overal ter wereld – gretig gebruik van maakten. De eenvoudige definitie, gericht op museale ‘functies’ zoals verzamelen, conserveren en restaureren, wetenschappelijk onderzoeken en publiek maken van collecties, vormt een ‘praktische’ basis om beleid rond te bouwen. Zo vermijd je ellenlange discussies over wat je als museum moet doen, en wat niet. Maar … blijven beleidsmakers ook in een nieuwe definitie de voornaamste doelgroep? Blijft de ICOM-museumdefinitie in hoofdzaak een beleidsinstrument? Dat was alvast heel onduidelijk in het MDPP-voorstel, dat u ter herinnering hier nogmaals vindt.

Museums are democratising, inclusive and polyphonic spaces for critical dialogue about the pasts and the futures. Acknowledging and addressing the conflicts and challenges of the present, they hold artefacts and specimens in trust for society, safeguard diverse memories for future generations and guarantee equal rights and equal access to heritage for all people.

Museums are not for profit. They are participatory and transparent, and work in active partnership with and for diverse communities to collect, preserve, research, interpret, exhibit, and enhance understandings of the world, aiming to contribute to human dignity and social justice, global equality and planetary wellbeing.

Het voorstel ging sterk uit van maatschappelijke waarden, zoals inclusie, participatie en sociale rechtvaardigheid. Deze waarden zijn voor heel veel musea ontzettend belangrijk en het is interessant om te zien dat musea een plaats voor zichzelf zien in het maatschappelijke debat. Steeds vaker hangt hun (maatschappelijke) relevantie zelfs af van de positie die ze (al dan niet) innemen. Maar zijn beleidsmakers, die procedures en criteria moeten bedenken om organisaties al dan niet het kwaliteitslabel van ‘erkend museum’ toe te kennen, en er eventueel een subsidie aan vast te koppelen, wel gebaat bij een tekst die zo sterk op waarden is gericht? Wordt die klemtoon niet eerder een blok aan het been?

Kortom, het MDPP-voorstel vertolkte een boeiende visie op de rol van musea in de samenleving, maar eerder met de internationale museumgemeenschap zelf in gedachten dan de beleidsmakers. In toekomstige discussies krijgen we best duidelijk voor wie de definitie bedoeld is, en welke doelstellingen we ermee beogen.

De Yodo rivier, Hiroshige (I) , Utagawa, 1833 - 1837 via Rijksstudio

Toepasbaar op alle musea?

De relevantie van de ICOM-museumdefinitie is volledig afhankelijk van het draagvlak dat er op internationaal vlak voor bestaat. Vandaar dat ze in principe toepasbaar moet zijn voor alle musea, overal ter wereld.

En hiermee raken we aan een ander zeer heikel punt van het MDPP-voorstel. Een kritiek is immers dat dit voorstel van de museumdefinitie geen echte ‘definitie’ is, dan wel een visie. Even vereenvoudigd: kenmerkend aan ‘een visie’ is dat je je erachter schaart of dat je je ertegen kant (of dat het je koud laat). In principe zullen weinigen – naar ik hoop – tegen de maatschappelijke waarden zijn, die naar voren worden geschoven in de eerste paragraaf van het voorstel (zie boven). Maar hoe haalbaar is het voor alle musea in de wereld om hen als alfa en omega te nemen? Opvallend is dat deze ideeën momenteel richtinggevend zijn in de Angelsaksische museologie, en in de praktijk worden gebracht door musea in voornamelijk de westerse, democratische landen, die (vooralsnog) de vrijheid hebben om dat te doen. Hoewel het voorstel dus inclusie propageert, is ze het zelf verre van. Gewoonweg omdat veel musea deze idealen nooit in de praktijk zouden kunnen brengen.

Trouwens, is de vertaalslag van theorie of discours naar de praktijk niet moeilijk (of zelfs onmogelijk) voor àlle musea? Zelfs voor die organisaties in de (westerse) democratieën, die er prat op gaan inclusief en participatief te zijn en te werken? Welke musea zijn nu al écht plekken voor kritische dialoog (zoals in het MDPP-voorstel is terug te vinden)? En wat is dat trouwens, kritische dialoog? Welke musea maken vandaag op dat vlak al zo’n groot maatschappelijk verschil dat ze niet meer zijn weg te denken uit onze samenlevingen? Welke zijn al écht ‘polyfoon’, ‘meerstemmig’ en ‘inclusief’? Dat blijft toch een werk van lange adem, en ook gewoonweg zeer moeilijk. Het is een collectieve opdracht om hier aan te werken, daar niet van. Maar of het in een museumdefinitie moet gebeiteld worden is een andere kwestie.

Beroemde landschapstuinen in Kyoto - deel drie, Sakuma Soen Akira, 1799 via Rijksstudio

Tot slot: het is ook echt de vraag in hoeverre àlle musea verplicht plekken moeten zijn voor kritische dialoog, voor een kritische ontmoeting tussen verleden en heden? Het maatschappelijk engagement van veel musea is inspirerend, geeft energie en ja, is broodnodig. Maar de samenleving heeft ook nood aan plekken voor het beleven van schoonheid, het stimuleren van verbeelding en creativiteit, educatie, voor contemplatie, stilte en rust. Een geëngageerde samenleving en geëngageerde musea, zouden ook hier volop op kunnen inzetten. En het ene sluit het andere niet uit. Denk maar aan wat de Amerikaanse denker Martha Nussbaum daarover vertelt: kritische geesten hebben net nood aan schoonheid en verbeelding om zich ten volle te kunnen ontwikkelen.

Discussieer mee op het Groot Onderhoud

De discussie over de ICOM-museumdefinitie gaat dus verder. We zullen u op de hoogte houden, en betrekken. Ook los van deze hele discussie, bezinnen erfgoedprofessionals zich in Vlaanderen over de rol van musea en andere publieke instellingen in de samenleving. Wat betekenen participatie, inclusie, meerstemmigheid in de praktijk? Zijn we er al? Zijn ‘onze’ musea plekken voor kritische dialoog? Moeten ze dat zijn? Het is een prangend actueel thema.

Vandaar dat FARO ‘meerstemmigheid en conflict’ centraal op de agenda zet van het Groot Onderhoud dit jaar. Kom op 26 november naar Antwerpen om onder andere over deze vragen mee te discussiëren op hét jaarlijkse netwerkevent voor de erfgoedprofessional. Houd ook faro | tijdschrift over cultureel erfgoed in de gaten, dat eind deze maand verschijnt en dat focust op dit thema. Schrijf in voor het Groot Onderhoud via deze link

Meer lezen over de ICOM-conferentie en -definitie? 

Foto's 

  • Groepsportret van vijf Japanse vrouwen aan de maaltijd in Kyoto, anoniem, ca. 1870 - ca. 1900, via Rijksstudio, publiek domein
  • Park met kersenbomen en Japanners, Kyoto, anoniem, ca. 1895 - ca. 1915, via Rijksstudio, publiek domein 
  • De Yodo rivier, Hiroshige (I), Utagawa, 1833 - 1837, via Rijksstudio, publiek domein
  • Beroemde landschapstuinen in Kyoto - deel drie, Sakuma Soen Akira, 1799, via Rijksstudio, publiek domein 
Olga Van Oost