Een pleidooi voor de museologie

Heeft u zich ooit afgevraagd waarom er in Vlaanderen geen opleiding museologie bestaat die naam waardig? En waarom dat wel zou moeten? Deze vragen stelde ik me (ook al) als jonge studente, zoveel jaar geleden. In wat volgt hou ik een pleidooi voor de erkenning van het museum als bijzondere, ‘andere’ plaats en voor de museologie als onderzoeksdomein. Met dank aan Peter van Mensch, de bekende Nederlandse museoloog, die me onlangs het belang van het museum als ‘heterotopie’ opnieuw deed inzien.

Een museum heeft vier muren, een dak en een wc

Ooit volgde ik – aan de universiteit nota bene – het vak ‘museologie’. Daarin werd uitgelegd dat een museum een gebouw was met vier muren, een dak, en niet te vergeten: sanitaire voorzieningen! Oh ja, er werden ook kunstobjecten in tentoongesteld, en er was zoiets als een depot. I kid you not.

In een niet al te ver verleden – is het nu anders? – werden kunstwetenschappers, historici en archeologen opgeleid om de Vlaamse Primitieven van de barokschilders te onderscheiden, de middeleeuwen van de moderne tijd en de bronstijd van de ijzertijd. Had je interesse in de voorwerpen zelf, letterlijk, in hun materie en onderhoud? Dan was een meer praktijkgerichte opleiding tot restaurator meer aangewezen. Toen ook in Vlaanderen de roep naar meer zakelijkheid luider werd, werd de richting ‘cultuurmanagement’ opgezet.

Maar een opleiding tot museoloog? Nee, dat niet, en die is er nog steeds niet. Terwijl in de rest van de wereld, te beginnen in het zuidelijke landsgedeelte, mensen inzicht konden krijgen in de complexiteit van het museumwezen, was en is dit geen prioriteit voor Vlaanderen. Dat ‘een museum’ veel meer en veel complexer is dan dat gebouw met die vier muren, is nog steeds niet doorgedrongen.

Wie geeft betekenis? De erfgoedgemeenschap of het museum? Beide?

In het gemeenschappelijke denken dat zich vandaag de dag in Vlaanderen over cultureel erfgoed ontwikkelt, ligt de focus zeer sterk op de rol van de erfgoedgemeenschap en participatie. Terecht, objecten hebben bepaalde ‘intrinsieke’ eigenschappen zoals het materiaal waaruit ze zijn vervaardigd. Maar hun betekenis krijgen ze enkel en alleen doordat mensen hen die geven. Waar iets te gemakkelijk wordt overgegaan, of wat zelfs gewoonweg wordt genegeerd, is de fysieke en institutionele context waarin betekenissen zich ontwikkelen, en dus de plaats waar de objecten zich bevinden. En dat is dus zeer vaak in een museum.

Het rotsvaste geloof dat mensen – vanuit hun diepste zelf en in relatie tot elkaar – betekenis toekennen, dreigt voorbij te gaan aan de invloed die een plek zoals een museum heeft op dat hele proces van betekenisgeving. Een museum dat – zoals die mensen – óók een geheugen heeft en óók vele geschiedenissen met zich meedraagt. Denk maar aan vragen als deze:

  • Hoe is de verzameling objecten tot stand gekomen?
  • Wie heeft in het verleden keuzes gemaakt, en wie doet het vandaag?
  • Waarom zijn bepaalde keuzes gemaakt?
  • Wat laat het museum zien en wat laat het niet zien? Waarom?
  • Welke objecten en thema’s slagen erin een erfgoedgemeenschap voor zich te winnen?
  • Waarom heeft een erfgoedgemeenschap interesse voor een bepaald object en thema?
  • Waarom worden andere objecten en thema’s vandaag de dag volledig vergeten? Omdat ze minder ‘belangrijk’ zijn?

Of omdat de museologische context en de museale geschiedenis ervoor hebben gezorgd dat ze volgens erfgoedgemeenschappen vandaag zogenaamd minder belangrijk zijn? Of misschien omdat het museum als plek, als instituut, een veel grotere impact heeft op de betekenissen die wij, individueel en collectief, aan dat erfgoed geven?

Het museum als heterotopie

Het museum is een heterotopie, zo zei Peter van Mensch onlangs op het NEMO-congres in Gent. (NEMO, voor wie het niet zou kennen, is de National European Museums Organisation.) Jaren geleden werd ik al gefascineerd door dit begrip toen ik het schitterende werk van Kevin Hetherington, Badlands of Modernity las. Maar zoals dat gaat, had het zich intussen ergens ver weg in mijn geheugen verstopt. Tot Peter van Mensch, de belangrijkste museoloog van de Lage Landen, erover begon in zijn lezing.

Een heterotopie is “een tussenruimte, een ruimte die ‘anders’ is, en die de continuïteit in de dagelijkse tijd, het dagelijkse leven even onderbreekt; en bemiddelt tussen verleden en heden”. Het is een neologisme dat Michel Foucault in de jaren zestig van de 20e eeuw bedacht. En waar een museum dus een zeer goede toepassing van is. Een museum is immers géén plek zoals er zo vele zijn. Nee, een museum is echt wel ‘anders’. Het is een aparte wereld met zeer eigen mechanismen en een eigen ritme. Dat is helemaal geen probleem: volgens van Mensch biedt ‘het museum als heterotopie’ ons een heel boeiende ‘methode’ om dat museum in te schakelen om hedendaagse maatschappelijke vraagstukken aan te kaarten en te onderzoeken.

Maar dan moeten we dat museum als heterotopie, in zijn bijzonderheid en anders-zijn, natuurlijk eerst (h)erkennen. We moeten dan ook inzien dat het een plek is die veel minder ‘neutraal’, ‘objectief’ en zelfs ‘onschuldig’ is dan vaak wordt aangenomen. Dat het museum een machtsinstituut is, een domein van historisch gegroeide sociale, etnische en genderongelijkheid, dat het een identiteitsmachine was en is, dat het nieuw erfgoed produceert, dat het zowel zoekt naar waarheid als een gerenommeerde geschiedvervalser is, dat het zowel een venster op de wereld is als een ervaren sluiswachter, en ga zo maar door.

Museologie: op zoek naar erkenning

De museologie is een vakgebied dat zich met deze mechanismen bezighoudt. Dat het museum als heterotopie als uitgangspunt heeft. Misschien dat we dan toch maar eens opnieuw, voor de zoveelste keer, de vraag naar een erkenning van het domein van de ‘museologie’ in Vlaanderen op tafel moeten leggen?

Foto's: Pixabay, Publiek Domein. De derde foto werd genomen in het Kröller-Müller Museum.

Afleveringen van 'À la recherche du musée perdu':

Olga Van Oost