Welke vragen openen nieuwe horizonten tijdens uw beleidsplanningsproces?

verkeersborden met vraagtekens

Tijdens een beleidsplanningsproces is inspraak van de stakeholders en de erfgoedgemeenschap van groot belang. Dit blogbericht maakt een overzicht van het soort vragen dat u kunt stellen en de globale aanpak die u daarbij kunt hanteren. Volgende week stellen we een aantal creatievere methodieken aan u voor. Tijdens onze vorming van 23 februari kunt u die methodieken trouwens uitproberen. Er is nog plaats, dus schrijf u snel in.

1. Kennismaking: wie bent u?

Een eerste type vragen is bedoeld om een beter beeld te krijgen van uw stakeholders. Het gaat dan om vragen als:

  • Hoeveel leden telt uw vereniging?
  • Wat is de gemiddelde leeftijd van uw leden?
  • Hoe vaak bezoekt u onze organisatie?
  • Hoe groot is uw budget voor erfgoed?
  • Waarom vindt u erfgoed interessant?
  • Hoeveel unieke stukken/deelcollecties heeft u?
  • Hoeveel procent van uw collectie is geïnventariseerd?
  • Wat zijn uw motieven om een museum te bezoeken?
  • ….


Deze en andere vragen zijn opgenomen in het Cijferboek. Er is dus informatie beschikbaar over de landelijk erkende organisaties. Kennismakingsvragen zijn ook opgenomen in de handleiding voor het opzetten van een publieksonderzoek.

2. Tevredenheid: wat vindt u van ons?

Dit type vragen zet uw dienstverlening centraal. U vraagt dan aan uw gebruikers hoe ze u beoordelen. Dat gebeurt met vragen als:

  • Hoe tevreden bent u over onze werking?
  • Waar zijn we sterk in?
  • Waar zijn we minder goed in?
  • Wat zouden we in de toekomst meer moeten doen?
  • Wat moeten we minder doen?
  • Op welk onderdeel van onze dienstverlening doet u het meeste een beroep?
  • ….


Voorbeelden van dit soort vragen zijn opgenomen in het tevredenheidonderzoek voor archieven en de handleiding publieksbevraging op de FARO-website. Neem contact op met Alexander Vander Stichele voor meer informatie

3. Nodenanalyse: waar loopt u tegenaan?

Dit type vragen zet de erfgoedgemeenschap/gebruiker zelf centraal en wil nagaan welke noden en behoeften er zijn. Het gaat dan om vragen als:

  • Wat kan u helpen om uw erfgoedwerking nog beter te maken?
  • In welke concrete situaties heeft u nog hulp nodig?
  • Welke dilemma’s komt u tegen?
  • Waar zitten de grootste uitdagingen in uw werking?
  • Welke problemen kunt u niet zelf oplossen?
  • Welke kennis, vaardigheden en tools komt u tekort?


4. Innovatie: wat is er nog allemaal mogelijk?

Los van het huidige aanbod, de noden en behoeften, is het zinvol om te peilen naar nieuwe uitdagingen en producten. Dit kan door vragen te stellen als:

  • Wat als de voornaamste doelgroep wegvalt? Wat als we een andere inkomstenbron moeten zoeken? Wat als we een andere huisvesting nodig hebben?
  • Welke goede voorbeelden uit het buitenland zijn inspirerend voor Vlaanderen? En hoe kunnen we die voorbeelden vertalen naar onze context?
  • Stel: uw organisatie wint in 2020 een prijs voor innovatieve erfgoedwerking. Op welke domeinen heeft de organisatie dan het verschil gemaakt?


Nog beter is het natuurlijk als u dit soort generatieve vragen op maat formuleert. De brochure 'The Art of Powerful Questions' leert u hoe u dat moet doen.

Hoe bevragen?

Deze bovenstaande vier types vragen kunt u op verschillende manieren aan uw achterban voorleggen:

  • Via een enquête (bijvoorbeeld met Google Forms): vooral vragen type 1 en 2 (en eventueel 3). Voordeel is dat u veel mensen kunt bevragen, nadeel is dat u niet verder kunt doorvragen zodat mensen hun antwoorden niet kunnen toelichten. Maak de enquête niet te lang, want dan haken mensen makkelijk af.
  • In een diepte-interview: type 1, 2 en 3 (en eventueel 4). U kunt zo minder mensen bevragen, dus selecteer de belangrijkste stakeholders voor deze bevraging (zie vorig blogbericht). De resultaten van dit soort bevragingen zijn moeilijker te vergelijken en te veralgemenen, maar ze leveren wel heel wat meer betekenisvolle details op.
  • In een focusgroep (8 tot 12 deelnemers) voor type 2, 3 en 4. Voordeel van focusgroepen is dat mensen elkaars mening horen en zo geïnspireerd kunnen raken. Nadeel is dat u minder tijd heeft om door te vragen en dat er een consensus kan ontstaan (terwijl het hier om een onderzoek gaat).
  • In een worldcafé: voor type 2 en 3 (en eventueel 4). Een grote groep mensen opdelen in kleinere deelgroepjes met een specifieke opdracht. Ideaal om op korte tijd veel ideeën te verzamelen. De resultaten verwerken is niet altijd eenvoudig.


De meeste organisaties maken een combinatie van bovenstaande methodes. Bijvoorbeeld een enquête gevolgd door een focusgroep. Of diepte-interviews en een worldcafé.

Volgende week vertellen we over specifieke methodes om deze vragen aan een focusgroep of worldcafé voor te leggen.

Meer over beleidsplanning?

  • Meer lezen over het opmaken van een participatieplan? In ons basisrecept beleidsplanning vindt u criteria en een checklist.
  • Het FARO-ondersteuningsaanbod in het voorjaar van 2017 kunt u hier bekijken
  • We verzamelen continu leestips op een ZEEF pagina


Deze blog is de derde in een reeks van beleidsplanningsblogs, u vindt deze terug via de tag beleidsplan2017.

Jacqueline van Leeuwen